Home » Sint Nicolaas - Amsterdam » Gevelsteen dl1

Gevelsteen 'Sinter Claes'

Sinterklaas_gevelsteen_De_Dam_Amsterdam_-1.png

De gevelsteen

Hij staat, van steen gehouwen, op den Dam in den zijmuur van het hoekhuis aan het Damrak. Wij zien er Sint Nikolaas in zijn bisschoppelijk gewaad, met den kromstaf in de hand, en naast hem een tobbe met drie naakte kinderen, terwijlhet onderschrift luidt; SINTERCLAES. Die oude steen met zijn onderschrift geeft mij aanleiding tot een’ tweetal opmerkingen; — de eene omtrent den naam Sinterclaes, — de andere omtrent die tobbe met naakte kinderen.
Sinterclaes of Sinter Nyklaes houden velen welligt voor plat-Amster
damsch; anderen zullen er welligt een eigenaardigheid in herkennen
van dat stedelijk soloecisme, dat onder de vijl der beschaving al meer
en meer te loor gaat; — »mal-Hollandsch" zou Breero zeggen, maar
wij ruilen voor zijn »mal-Hollandsch” graag heel veel »wijs-Hollandsch”
van onzen tjd! Ons Sinterclaes is geen »Amsterdams” en geen »Haachs,” geen‘»Delfs” en geen »Layts,” ’t is geen »Updams” en geen »Munckedams,” geen »Broecx” en geen »Raarops“ zelfs, — ’t is Hollandsch, goed en zuiver oud Hollandsch — ’t Is Sint her claes (zoo schreef men in de 140 eeuw), en dit her is Heer, derhalve: Heilige Heer Klaas! Men gaf toen den_engelen en heiligen, even als den ridders en pastoors, den titel van Heer vóór hun naam.

Hoe kwam de steen daar te staan?

Op den Dam was onze oude Sinterklaasmarkt. Elke markt stond van
ouds onder bjzondere bescherming, het zij van den keizer, het zij van
den patroon. Daar nu de keizer zich met onzen Dam niet bemoeide,
zoo had Sinterklaas die taak op zich genomen; en dus stond, als zigt
baar bewijs voor de gemeente, dat de heilige heer Klaas de bescherm
geest der markt was, waar zjne zoete gaven verkocht werden, zijn beeld aan den hoek. Wat hebben onze voorvaderen, in vervlogen eeuwen, daar al‘genot gesmaakt, als er de kramen met vergulde koek en klaasjes stonden, en het feest duurde tot laat in den nacht!
Wij willen die markt en die pret eens zelf gaan zien, liefst in een der
laatste jaren van de 159 eeuw. ‘Dat ge u den Dam niet zoo groot en ruim moogt voorstellen, als wij dien tegenwoordig kennen, behoeft wel geen herinnering. Gij weet, hoe in onze middeleeuwsche steden alles eng en bekrompen was, en ook de ruimte van ons marktveld was daarmeê in overeenstemming. Het oude stadhuis sprong veel verder voorwaarts dan ’t nieuwe, of ’t zooge naamde Paleis tegenwoordig; vóór de Nieuwe Kerk bij den Nieuwendijk stond nog een groot blok huizen, en daartegenover verrees een Waag gebouw. De huizen van Nieuwendjk en Damrak strekten toen eenweinig verder dan tegenwoordig; bij de Vischmarkt en den Middeldam stonden
ook nog verscheidene huizen, die later weggebroken zjn, — en ik zou
eenige straatjes of stegen kunnen opnoemen, die toen een gedeelte
besloegen van het terrein, dat tegenwoordig de Dam is. Maar hoe
eng dan ook naar onze schatting, ’t is den Amsterdammers van om
streeks 1480 een schoone markt, die ze reeds met zekeren hoogmoed
»den Damme” noeme

Bron tekst uit: Amstelodamiana, J. Ter Gouw, 1874. klik hier voor de digitale versie!