Negentiende eeuw

In de tweede helft van de negentiende eeuw verschijnen er veel kinderliedjes, korte, eenvoudige sinterklaasliedjes, in druk. Deze volksliedjes kunnen veel ouder zijn en door mondelinge overlevering lange tijd zijn doorgegeven, maar werden door de belangstelling voor volkscultuur tijdens de Romantiek in de tweede helft van de negentiende eeuw voor het eerst opgetekend. Een aantal van deze volksliedjes wordt in de eenentwintigste eeuw nog steeds gezongen. Ook gaven tekstdichters als J.P. Heije en Katharina Leopold in deze periode liedjes uit, waarvan er enkele tientallen tot in de eenentwintigste eeuw bekend bleven.

Echte heiligenliederen, over het leven van de heilige Nicolaas, komen er in de negentiende eeuw niet meer bij. Ook de verwijzingen naar Sinterklaas als huwelijksmaker nemen sterk af. In de eerste helft van deze eeuw lijken er weinig nieuwe sinterklaasliedjes te verschijnen - de Liederenbank heeft er van deze 50 jaar slechts één:[7] 'O Sint Nikolaas goed heilig man, / Wy zingen tot uw eer' (1802). Jong of oud, rijk of arm, knecht, meid, burger of heer, iedereen brengt zijn schoen. Jonge lieden zoenen elkaar en de kinderen zingen voor 'Klaasje met zyn Paard' voordat zij naar bed gaan.[25]

Halverwege de negentiende eeuw ontstaat er dan belangstelling voor volksliedjes met Sinterklaas als onderwerp. Het tijdschrift Wodana[26] drukt als eerste in 1843 een typisch volksliedje af, het kinderliedje:

Sinte Nicolaes, nobele baes,brengt wat in myn schoentje,een appeltje of een citroentje (…)

Het tijdschrift De Navorscher vermeldt vanaf 1851 een vijftal kinderdeuntjes: 'Sinte Niclaes Bisschop! goet heylich man, / Wilje wat in mijn schoentje geeven, Godt loont u dan' (onder de titel 'St. Nicolaas-liedje van 1658'); 'Sint Niklaas goed heilig man! / Trekje beste tabbert an'; 'Sint Niklaas! bonne, bonne, bonne, / Gooi wat in de leege tonne'; 'Sint Niklaas, Dat is een baas / Voor kind'ren en voor menschen'; en 'Sint Niklaas, kapoentje! / Leg wat in mijn schoentje'.[7]

Ook enkele liedboekjes nemen in deze periode bovenstaande en andere korte volksliedjes op, zoals: H. Hoffmann von Fallersleben, Niederländische Volkslieder (Horae Belgicae II, 1856); J.J.A. Goeverneur, Kinderdeuntjes en wiegeliedjes (ca. 1870-1880); W. Dykstra, In doaze fol alde snypsnaren (1882); en J. van Vloten, Nederlandsche baker- en kinderrijmen (1894). Hieronder ook liedjes als 'Sinte Klaes, die goede heer, / Die komt alle jaren weer / Met zijn paardjes voor zijn wagen'; 'Sinte Klaes / Dy spilet yn alle huzen de baes'; 'Sinte Niklaas, / Die speult den baas' en 'Sinte Niklaas bisschop, goed heilig man, / Wil je wat in mijn schoentje geven'.

Naast deze volksliedjes uit de orale traditie, verschijnen er vanaf de tweede helft van de negentiende eeuw een groot aantal kinderliedboekjes en sinterklaasliedboekjes, waaruit enkele tientallen liedjes tot in de eenentwintigste eeuw zeer bekend en geliefd bleven.

In 1845 verscheen, in een boekje met kinderliedjes, het sinterklaaslied 'Zie, de maan schijnt door de bomen, / Makkers! staakt uw wild geraas', van de hand van J.P. Heije en met muziek van J.J. Viotta. Sinterklaasavond is aangebroken, de kinderen verheugen zich op de geschenken (een harlekijn) en lekkers (suikergoed en marsepein). Kinderen die zoet zijn geweest, krijgen koek, zo niet dan krijgen zij een gard (een roede).

't Heerlijk avendje is gekomen,'t Avendje van Sint-Niclaas!Van verwachting klopt ons hart, Wie de koek krijgt, wie de gard!

In 1850 verscheen het kinderboek Sint Nikolaas en zijn knecht van de Amsterdamse onderwijzer Jan Schenkman. Hierin stond onder meer de tekst van 'Zie, ginds komt de stoomboot / Uit Spanje weer aan!'. In dit boekje laat Schenkman voor het eerst in druk Sint Nicolaas aankomen met een stoomboot, komt hij uit Spanje en heeft de Sint een knecht.

Zijn knecht staat te lachen, En roept ons reeds toe: ‘Wie zoet was, krijgt lekkers; Wie stout was, een roe’.

In 1856 schrijft dezelfde Jan Schenkman een lied voor de komst van Sinterklaas in Amsterdam: 'Eerwaarde Bisschop Nikolaas! / Vergeef het ons, dat wij het wagen' (met de titel: 'Door een groot aantal burgerkinderen Sint Nikolaas aangeboden (…). Luimig dichtstukje'). De kinderen zijn bang dat er dit jaar geen geschenken zullen worden gegeven, ook al laten ze hun liedjes door de schoorsteen klinken. Het liedje verscheen op een liedblad.

Op de valreep van de negentiende eeuw, in 1898, gaf de Groningse onderwijzeres Katharina Leopold een liedboekje met 12 sinterklaasliedjes op bestaande melodieën uit. Hiervan raakten er enkele wijd bekend, waaronder 'O, kom er eens kijken / wat ik in mijn schoentje vind'; 'Jongens heb je 't al vernomen / tralalali, tiralalala'; 'Sinterklaas, zegt moe / houdt van zoet, zegt moe'; en 'Hij komt, hij komt / die lieve goede Sint'